17-03-07

Bommelding

Mijn tripje naar het ziekenhuis gisteren is vlotjes verlopen. Nu ja vlotjes. Dankzij de voorbeeldige samenwerking tussen de NMBS en De Lijn was ik zowat een half uur te vroeg ter plaatse. Schitterend dus. Zoals het een brave burger betaamt, had ik ook op voorhand een Lijnkaart gekocht, zodat ik ook al geen schrik moest hebben van eventuele Lijnflikken. Die er overigens niet waren.
De behandeling zelf liep ook al van een leien dakje. Buiten een klein prikje voelde ik niets van de 10 cm lange naald die zich een weg baande naar de ruimte tussen mijn onderste ruggenwervels.
Een uur of 4 later stond ik weer op straat, zo snel gaat dat. En toen begon de pret. Onder het Centraal station bleek de rechtstreekse metrotoegang tot de treinperrons niet toegankelijk wegens een bomalarm. Een bomalarm! Dat we dat nog eens mogen meemaken. Er breekt weer zo’n periode aan dat de eerste de beste geestesgestoorde de telefoon neemt en een krantenredactie opbelt met deze plezierige melding. En dan komt dat op het nieuws, en dat zet dan andere psychoten en randdebielen aan om hetzelfde te doen. Let op mijn woorden, het zal de laatste niet geweest zijn dit voorjaar. Het wordt ook weer lente, het spreekwoordelijke botten van ’t blad. De menselijke geest gaat weer tekeer met alle nare gevolgen vandien voor de meer labielen onder ons.
Terug naar metrostation Diamant. Een overstresste Lijnbediende had de taak het lint te bewaken dat in de onderaardse gang gespannen was om de reizigers tegen te houden. Medepassagiers kloegen dat het bomalarm toch al was opgeheven volgens de radio, maar de arme man, een gevorderde vijftiger met rood gezwollen aangezicht en dun, grijs krullend haar dat door het zweet plakkerig op z’n schedel lag, kon alleen maar zeggen dat hij orders had om niemand door te laten. Hij stond daar een beetje hulpeloos met dat roodwit lint in zijn hand. Ik had er plots wat medelijden mee.
Onderweg richting uitgang, een honderdtal meter verder de andere kant op, werd plots het bomalarm toch afgeblazen. Enkele medepassagiers merkten op dat onze bediende het lint liet vallen, dus draaide de massa zich als een spreeuwenzwerm plots om, om snelwandelend alsnog naar het station te stappen. Bovengekomen in de imposante vertrekhal bleek dat er geen enkele trein stond. De perrons waren ook zo goed als leeg. We waren bij de eerste honderd mensen die de indrukwekkende kathedraal betraden. Raar om die stilte te ervaren. En toen stroomden ze toe, de honderden gestrande reizigers, zoals dat heet. Het was er een chaos van jewelste. Eerst stond iedereen gelaten te wachten op wat komen zou. Door de luidsprekers werden we (duidelijk, dat moet gezegd) vriendelijk gevraagd of we begrip wilden hebben voor de situatie. Het lijkt wel heel onvlaams, maar er was begrip. Ik hoorde geen geklaag, geen gemor, geen gesteun. Nee, de Vlaming stond daar heksenketel te ondergaan. Een pendelaar is wat gewend, dacht ik en hield me bezig met het observeren van de bonte massa gestranden. Druppelsgewijs kwamen de eerste treinen binnengerold, wat meteen een hele volksverhuizing op gang bracht. Die werd dan nog eens herhaald toen bleek dat de ene spoorwijziging na de andere werd omgeroepen. Het was leuk om de rijen reizigers bezig te zien die van het ene perron naar het andere werden gestuurd. Leuk om de verschillende gezichten te zien passeren, de ene al wat bleker en gehaaster dan de andere. Het was bijna jammer dat even later werd omgeroepen dat ik mijn trein in Berchem diende te nemen en mij dus in de massa moest mengen om in een overbevolkte trein een station verder te rijden.
Daar stond ik dan, tussen enkele pubers die in het plat Essens wat aan het lullen waren. Die ene moest achter elk zinnetje ‘En na gonnek zuipe’ zeggen, blijkbaar een populaire stoplap onder de Essense jeugd. Ik nam me voor om niet met dat vijftal in de volgende trein te stappen.
In Berchem haastte de massa zich naar het perron waar ons treinstel stond te wachten. Trap af, trap weer op. En ik vond er zowaar een zitplaats. Ik nam mijn boekje om lezend te tijd te doden en te wachten tot het treinstel zich in beweging zou zetten. Oh ja, het was dus niet de Humo die ik had meegenomen, maar Los van Tom Naegels. Een klein boekje, heel goed geschreven, ideale tussendoorlectuur.
Een pendelaar zat over mij met zijn PDA te spelen. Een mens moet iets doen. Het wachten duurde wel erg lang, het gerucht deed op den duur de ronde dat er geen machinist was om ons te vervoeren. Er zou er een op weg zijn van het Centraal Station. Eerst werden de reizigers richting Roosendaal al afgeraden te blijven zitten en te wachten op de trein naar Amsterdam. Even later bleek dat die beloofde treinbestuurder helemaal niet kwam en werd ons gevraagd over te stappen op de piekuurtrein, die op het perron ernaast stond. Iedereen stond slaafs weer op (daar ging mijn zitplaats), om tegen een slakkengangetje trap weer af en trap weer op te slenteren. Ik moest onwillekeurig denken aan het station van Madrid, waar ook een massa mensen het perron aan het verlaten waren toen er plots een bom afging. Je zit wel gevangen zo in de massa, go with the flow…
Het bommelding dat stond te wachten bleek slechts een derde van de capaciteit te hebben als die waar we net uitkwamen. Een interessant gegeven. Ik perste me toch nog ergens op een opstapje tussen enkele ervaren pendelaars die ook geen vin konden verroeren. Er ontspon zich een aangenaam gesprek tussen de uit noodzaak tot elkaar veroordeelde reizigers. Iedereen in hetzelfde schuitje, lotsverbondenheid, het opent de geest. “Het plezante is”, zei de man naast mij, “dat als er iets gebeurt iedereen met elkaar begint te praten.” Ik bedacht dat treinpendelaars dat voor hebben op filerijders, die ieder voor zich in hun auto voor zich uit zitten te staren. Ik zal er aan denken als ik volgende week weer eens ergens stilsta.

13:20 Gepost door Aardvarksken in Algemeen | Permalink | Commentaren (10) | Tags: rug, hernia, bommelding, trein |  Facebook |